ECLI:NL:RVS:2008:BD8878

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200804312/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • A.M.L. Hanrath
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning winkelcentrum te Oude-Tonge

Het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee verleende op 30 maart 2004 een vrijstelling en bouwvergunning aan Multicriteria Bedrijfshuisvesting B.V. voor de bouw van een winkelcentrum met 14 woningen in Oude-Tonge. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat door het college op 23 augustus 2007 werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van verzoeker op 15 mei 2008 ongegrond.

Verzoeker stelde vervolgens bij de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening in om de bouwvergunning te schorsen totdat de bodemprocedure was afgerond. De voorzitter behandelde dit verzoek op 17 juli 2008 en oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestond om de vergunning voorlopig te schorsen.

De voorzitter nam het standpunt in dat de verwisseling van verkeerswaarden op twee telpunten geen doorslaggevende invloed had op de verkeersprognoses waarop het college zich baseerde. De feitelijke ingebruikname van het project zou pas in oktober 2008 plaatsvinden en de tweede fase, die tot meer verkeer zou leiden, pas medio 2009. De bodemprocedure zou naar verwachting in het vierde kwartaal van 2008 worden behandeld, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd was.

Daarom wees de voorzitter het verzoek af en legde geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor het winkelcentrum is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200804312/2.
Datum uitspraak: 24 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/3574 van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2008 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Multicriteria Bedrijfshuisvesting B.V.", rechtsvoorgangster van Slavenburg Developments B.V. (hierna: vergunninghoudster), vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een winkelcentrum met 14 bovengelegen woningen op het perceel dat omsloten wordt door de Dabbestraat, Oostdijk, Oost-Achterweg en de Heerendijk te Oude-Tonge (hierna: het project).
Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 20 mei 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juli 2008, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, vergezeld door ing. C.M.C. Kranse-Bogaard, ambtenaar in dienst van de gemeente, en M. van Lieshout, werkzaam bij Adviesbureau Goudappel Coffeng, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M. Gideonse, advocaat te Veenendaal, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek strekt ertoe de door het college genomen besluiten van 30 maart 2004 en 23 augustus 2007 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist.
2.3. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat naar voorlopig oordeel geen grond wordt gevonden voor de conclusie dat de verwisseling van de waarden, gemeten in 2006 op telpunt 3 en telpunt 4, van betekenende invloed is op de prognose van de toename van de verkeersintensiteit op de Oudelandsedijk. In aanmerking genomen dat de uitkomst van de in november 2006 verrichte verkeerstelling op de Oudelandsedijk (telpunt 1) door [verzoeker] niet is betwist en dat, gelet op de in november en december 2007 aldaar verrichte verkeerstellingen, sindsdien slechts een lichte groei van het aantal motorvoertuigen heeft plaatsgevonden, heeft het college zich in zijn ruimtelijke onderbouwing van het project naar voorlopig oordeel kunnen baseren op de door Adviesbureau Goudappel Coffeng gemaakte prognoses van de toename van het verkeer op de Oudelandsedijk. Ter zitting is bovendien gebleken dat de feitelijke ingebruikneming van fase 1 van het project op zijn vroegst in oktober 2008 plaatsvindt met de verhuizing van de bestaande Albert Heijn-vestiging naar de nieuwbouw. Fase 2 van het project, die onder meer de bouw van een Lidl-supermarkt en de voltooiing van het parkeerdek omvat, neemt eerst dan een aanvang. Een toeneming van het verkeer als gevolg van het project wordt eerst verwacht wanneer de tweede fase, naar verwachting medio 2009, gereed is. Aangezien de behandeling van de bodemprocedure naar verwachting aan het begin van het vierde kwartaal van 2008 zal plaatsvinden, is dan ook thans met het verzoek geen zodanig spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening, als is verzocht, gerechtvaardigd moet worden geacht.
2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008
392.