ECLI:NL:RVS:2008:BD8360
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door gezagsverhouding
De zaak betreft een hoger beroep tegen een boete van €16.000 opgelegd aan appellant wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd opgelegd omdat appellant Poolse vreemdelingen arbeid liet verrichten zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en dat oordeel is door de Raad van State bevestigd.
De kern van het geschil is of de Poolse vreemdelingen als zelfstandigen werkten of onder gezagsverhouding van appellant. Uit het boeterapport en verklaringen blijkt dat de vreemdelingen op het terrein en met materialen van appellant werkten, onder toezicht van een bedrijfsleider die opdrachten gaf. De vreemdelingen ontvingen een uurloon en maakten facturen op, maar dit was onvoldoende om zelfstandigheid aan te nemen. De minister heeft terecht aangetoond dat sprake was van een gezagsverhouding.
Appellant voerde verder aan dat de boete onredelijk was omdat de vergunningplicht per 1 mei 2007 was komen te vervallen voor Poolse werknemers. De Raad oordeelt dat dit overgangsregime tijdelijk was en de overtreding op het moment van de feiten strafwaardig bleef. Ook het beroep op bijzondere omstandigheden voor matiging van de boete faalde omdat onvoldoende onderbouwd.
De Raad van State bevestigt daarom het oordeel dat appellant als werkgever vergunningplichtig was en dat de boete terecht is opgelegd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €16.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning vanwege een gezagsverhouding.