ECLI:NL:RVS:2008:BD7531
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling individualiseringsvereiste bij risico op schending artikel 3 EVRM voor ex-DVPA leden en KhAD/WAD medewerkers
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld over het individualiseringsvereiste bij de beoordeling van het risico op een schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) voor voormalige leden van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) en medewerkers van de veiligheidsdiensten KhAD/WAD.
De Afdeling benadrukt dat het enkel behoren tot deze groepen niet automatisch leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Dit volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder de arresten Salah Sheekh tegen Nederland en Saadi tegen Italië, waarin het belang van het individualiseringsvereiste wordt bevestigd. De situatie van de groep en de mate van bescherming die zij kunnen vinden, moeten meegewogen worden, maar persoonlijke omstandigheden blijven doorslaggevend.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat alle personen behorend tot deze groepen zonder meer risico lopen, zonder dat van de vreemdeling werd verlangd om persoonlijke feiten en omstandigheden aan te tonen. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast is vastgesteld dat de proceskosten van het hoger beroep op € 322,- worden gesteld en dat de rechtbank zal beslissen over de vergoeding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd met terugwijzing van de zaak.