Uitspraak
200202402/1) en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 oktober 2005 (zaak nr. 05/2330; www.rechtspraak.nl).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde in 2006 verder in te gaan op verzoeken van appellant om nadeelcompensatie over de jaren 2000 en 2001. Appellant had eerder een voorschot ontvangen en de behandeling was aangehouden in afwachting van een uitspraak over nadeelcompensatie over 1998. Na een uitspraak van de Afdeling in 2004 waarin het beroep van appellant ongegrond werd verklaard, raakte de verdere behandeling van de verzoeken in vergetelheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het college ongegrond, stellende dat appellant onredelijk laat had gereageerd op het uitblijven van besluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat appellant gelet op de omstandigheden niet onredelijk laat was met zijn brief van juni 2006, omdat hij mocht verwachten dat het college nog een besluit zou nemen.
De Afdeling vernietigt daarom zowel het bestreden besluit van het college als de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.