ECLI:NL:RVS:2008:BD6152
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en uitzettingsmogelijkheden naar Noord-Irak
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of er zicht was op uitzetting van de vreemdeling naar Noord-Irak binnen een redelijke termijn. De staatssecretaris had gesteld dat gedwongen uitzetting mogelijk was met behulp van een EU-staat en verwees naar recente succesvolle uitzettingen naar Noord-Irak. De vreemdeling betoogde dat de rechtbank ten onrechte zonder nadere onderbouwing van de staatssecretaris op diens mededeling had mogen vertrouwen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad had moeten vragen om nadere onderbouwing, waardoor het vonnis werd vernietigd. Na beoordeling van de aanvullende informatie concludeerde de Afdeling dat er geen grond was om aan te nemen dat uitzetting niet binnen redelijke termijn mogelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.