ECLI:NL:RVS:2008:BD5514
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 2 april 2008. Hij had tijdens zijn strafrechtelijke detentie op 17 januari 2008 al verklaard medewerking te willen verlenen aan een taalanalyse, maar de staatssecretaris ondernam daarop geen actie. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State stelde dit oordeel ter discussie.
De Raad van State overweegt dat de staatssecretaris inderdaad niet met de vereiste voortvarendheid aan de uitzetting heeft gewerkt, omdat hij pas op 15 april 2008 opnieuw om medewerking vroeg. Toch is voortvarendheid geen wettelijk vereiste en maakt het ontbreken daarvan een maatregel van bewaring pas onrechtmatig als de belangen niet in redelijke verhouding staan. In deze zaak wegen de belangen van de openbare orde zwaarder, gezien het ontbreken van identiteitspapieren, het niet naleven van vertrektermijn, eerdere veroordelingen en het ontbreken van vaste verblijfplaats.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, maar verklaart het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 16 juni 2008 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris.