ECLI:NL:RVS:2008:BD4385

Raad van State

Datum uitspraak
13 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200803118/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake beëindiging inschrijving in gemeentelijke basisadministratie Eindhoven

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven beëindigde op 26 september 2006 de inschrijving van wederpartij in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Wederpartij maakte bezwaar, dat door het college op 27 juni 2007 ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van wederpartij gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, met de opdracht aan het college een nieuw besluit te nemen.

Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het college al een nieuw besluit op bezwaar zou moeten nemen voordat op het hoger beroep was beslist. Tijdens de zitting op 6 juni 2008 verschenen beide partijen, waarbij het college werd vertegenwoordigd door ambtenaren en wederpartij door een advocaat.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het niet zeker was dat het oordeel van de rechtbank in stand zou blijven in de bodemprocedure en dat het college weinig ruimte had om anders te besluiten dan de inschrijving van wederpartij te herstellen. Gezien het feit dat wederpartij inmiddels weer was ingeschreven in de GBA, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen zolang het hoger beroep loopt.

Uitspraak

200803118/2.
Datum uitspraak: 13 juni 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2522 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 maart 2008 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) de inschrijving van [wederpartij] aan de [locatie] te Eindhoven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) beëindigd.
Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2008, verzonden op 31 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juni 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2008.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2008, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.A.M. van Kollenburg-van Linder, H.C.F. Hartjes en J.M.L.E.G. van den Eden, allen ambtenaar in dienst van de gemeente Eindhoven, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. L.M.J.S. Helder, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek van het college strekt ertoe om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te worden gegeven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak.
2.2. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter staat niet op voorhand vast dat het door het dagelijks bestuur bestreden oordeel van de rechtbank over de beëindiging van de inschrijving van [wederpartij] en de in verband daarmee uitgesproken vernietiging van het besluit op bezwaar, in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daar komt bij dat, gelet op de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, de uitspraak het college weinig ruimte laat om een ander besluit te nemen dan de beëindiging van de inschrijving van [wederpartij] ongedaan te maken.
Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter aanleiding het verzoek toe te wijzen. In dit verband acht de voorzitter tevens van belang dat [wederpartij] inmiddels weer is ingeschreven in de GBA van de gemeente Eindhoven, zodat aan het door haar gestelde belang bij het spoedig gevolg geven aan de uitspraak geen doorslaggevend gewicht behoeft te worden toegekend.
2.3. De voorzitter ziet aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2008
187-538.