ECLI:NL:RVS:2008:BD2147
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toerekenbaarheid ontbreken reisdocumenten bij asielaanvraag
In deze zaak heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen omdat de asielzoeker geen reisdocumenten kon overleggen. De voorzieningenrechter had dit besluit vernietigd, maar de Raad van State oordeelt dat het beleid van de staatssecretaris juist is toegepast. Volgens artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 moet een asielzoeker aannemelijk maken dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen.
De Raad stelt vast dat als een asielzoeker verklaart zijn reisdocumenten na binnenkomst in Nederland te hebben laten verscheuren, dit vrijwel altijd aan hem kan worden toegerekend. Echter, indien de asielzoeker een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring over zijn reisroute kan geven, kan het ontbreken van documenten niet aan hem worden tegengeworpen.
In deze zaak had de asielzoeker verklaard dat hij zijn vliegticket na aankomst op Schiphol had laten verscheuren. De staatssecretaris mocht het ontbreken van het vliegticket daarom aan de asielzoeker toerekenen. De voorzieningenrechter had dit niet onderkend, waardoor het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond werd verklaard en de zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Daarnaast werd vastgesteld dat de voorzieningenrechter onterecht een onjuist toetsingskader had gehanteerd door te kijken naar de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas. De Raad van State vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en wees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de juiste criteria.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.