ECLI:NL:RVS:2008:BD1594
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling in het kader van Dublinverordening
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling onrechtmatig achtte. De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld omdat werd onderzocht of hij op grond van de Dublinverordening kon worden overgedragen aan Frankrijk, waar hij voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland verbleef.
De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling niet als Dublinclaimant kon worden aangemerkt omdat hij in Frankrijk geen asielaanvraag had ingediend, en verklaarde de bewaring onrechtmatig. De staatssecretaris stelde echter dat volgens artikel 10, eerste lid, van de Dublinverordening en het beleid in paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vreemdelingenwet 2000 ook sprake is van een belangenafweging wanneer de vreemdeling via een andere lidstaat naar Nederland reist zonder daar een asielaanvraag te doen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de paragraaf niet van toepassing was en dat de belangenafweging in dit geval in beginsel ten nadele van de vreemdeling uitvalt. Tevens was er geen grond om te veronderstellen dat de staatssecretaris het besluit tot inbewaringstelling nader had moeten motiveren of dat er sprake was van onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.