Uitspraak
200504650/1heeft de Afdeling het besluit van het college van 2 augustus 2004, waarbij de door [appellante] tegen het besluit, verzonden op 6 februari 2004, gemaakte bezwaren ongegrond zijn verklaard, vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat het op de weg van het college lag om in de richting van [appellante] klaarheid te scheppen met betrekking tot het antwoord op de vraag wat nu precies van [appellante] vóór welk tijdstip werd verwacht om voor het college aannemelijk te doen zijn dat het geuite voornemen van [appellante] om met de bouw te willen beginnen ook daadwerkelijk in daden zou worden omgezet.
200605598/1geldt als uitgangspunt dat een besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van dat besluit bekend zijn. Dit geldt eveneens indien het besluit op bezwaar wordt genomen naar aanleiding van een vernietiging van een eerder besluit op bezwaar door de rechter. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in voldoende mate uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 en dat uit die uitspraak niet volgt dat het college slechts tot een gegrondverklaring van de bezwaren van [appellante] tegen het besluit, verzonden op 6 februari 2004, kon komen.