ECLI:NL:RVS:2008:BC9734
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.W.M. Bijloos
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister niet verplicht was uitstel te verlenen voor contra-expertise in asielprocedure
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister van Justitie op 17 januari 2007 werd afgewezen. De vreemdeling voerde onder meer aan dat zij onvoldoende tijd had gekregen om een contra-expertise te laten uitvoeren naar aanleiding van een taalanalyse die twijfel opriep over haar afkomst.
De rechtbank had het besluit van de minister vernietigd omdat zij vond dat de minister de vreemdeling een nadere termijn had moeten gunnen om een contra-expertise over te leggen. De minister stelde echter dat de vreemdeling geen concrete datum had genoemd waarop het rapport van de contra-expertise beschikbaar zou zijn en dat daarom geen reden bestond om de besluitvorming op te schorten.
De Raad van State oordeelt dat de brief van de Taalstudio onvoldoende duidelijkheid gaf over de termijn waarop de contra-expertise beschikbaar zou zijn, omdat deze afhankelijk was van een opdrachtbevestiging voor een tweede fase. De minister mocht de gevolgen van capaciteitsproblemen bij de Taalstudio voor rekening van de vreemdeling laten en was niet verplicht het besluit aanvullend te motiveren of een ruimere termijn te gunnen. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.