ECLI:NL:RVS:2008:BC9688
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting na prejudiciële vragen
De vreemdeling werd op 13 februari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring op 28 februari 2008 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn, die bepalend zijn voor de beoordeling van de asielprocedure van de vreemdeling. Daarom werd de behandeling van het hoger beroep aangehouden op 21 maart 2008.
De Afdeling oordeelt dat door deze aanhouding het zicht op uitzetting binnen afzienbare tijd is komen te vervallen, waardoor de inbewaringstelling vanaf die datum onrechtmatig is. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de bewaring wordt opgeheven. Tevens wordt aan de vreemdeling een vergoeding toegekend en worden proceskosten vergoed.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €980 en proceskosten van €1.127 aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan op 4 april 2008.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting, en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.