ECLI:NL:RVS:2008:BC9687

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200801231/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • M.G.J. Parkins de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVreemdelingencirculaire 2000 A4/6.3Vreemdelingencirculaire 2000 A4/6.4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voortvarendheid bij overplaatsing vreemdeling naar uitzetcentrum ondanks capaciteitsgebrek

De vreemdeling werd op 28 januari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris van Justitie stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State onderzocht of de staatssecretaris met de vereiste voortvarendheid had gehandeld, ondanks dat de overplaatsing naar het uitzetcentrum acht dagen na de bewaring plaatsvond vanwege capaciteitsgebrek bij de vreemdelingendienst. De staatssecretaris had op de dag na overplaatsing een vlucht naar Turkije aangevraagd, waarna de vreemdeling op 11 februari 2008 werd uitgezet.

De Raad concludeerde dat het capaciteitsgebrek de vertraging niet rechtvaardigt, maar dat de voortvarendheid in de totale uitzettingsprocedure niet was geschonden. De grief van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

200801231/1.
Datum uitspraak: 3 april 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/3705 van de rechtbank 's Gravenhage van 11 februari 2008 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 februari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 17 maart 2008 heeft de Afdeling de staatssecretaris gevraagd om een nadere toelichting. De staatssecretaris heeft hierop bij brief van 18 maart 2008 een nadere uiteenzetting gegeven. Appellant heeft hierop bij brief van 25 maart 2008 gereageerd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, door eerst op 6 februari 2008 een vlucht naar Turkije aan te vragen, terwijl de vreemdeling op 28 januari 2008, in het bezit van zijn Nufus-kaart, in bewaring is gesteld en vanaf 29 januari 2008 tevens beschikte over een verlopen paspoort, niet met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld. Aldus is miskend dat is gehandeld conform het in de paragrafen A4/6.3 en A4/6.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2008 in zaak nr. 200708863/1 (www.raadvanstate.nl) stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de vreemdeling weliswaar eerst op de achtste dag is overgeplaatst naar een uitzetcentrum, maar dat, nu reeds de daaropvolgende dag een vlucht naar Turkije ten behoeve van hem is aangevraagd, voldoende voortvarend is gehandeld ter fine van uitzetting.
2.1.1. De vreemdeling is op 6 februari 2008 overgebracht naar een uitzetcentrum. Op 7 februari 2008 heeft de staatssecretaris ten behoeve van hem een vlucht naar Turkije aangevraagd. Op 11 februari 2008 is de vreemdeling met deze vlucht uitgezet.
2.1.2. De staatssecretaris heeft, voor zover thans van belang, desgevraagd aangegeven dat de administratieve afhandeling van het dossier van de vreemdeling, waaronder het opmaken van het "aanmeldformulier vreemdeling" (model M118), welke dient plaats te vinden voordat een vreemdeling kan worden overgeplaatst naar een uitzetcentrum, meer tijd in beslag heeft genomen dan gebruikelijk, wegens een - tijdelijk - gebrek aan capaciteit bij de Vreemdelingenpolitie Amsterdam.
2.1.3. Dat de administratieve afhandeling van het dossier van de vreemdeling door capaciteitsgebrek bij de vreemdelingendienst langer heeft geduurd dan gebruikelijk kan niet worden beschouwd als een afdoende reden voor het feit dat de overplaatsing van de vreemdeling naar een uitzetcentrum acht dagen op zich heeft laten wachten en kan derhalve op zichzelf niet worden aangemerkt als rechtvaardiging voor de op dat onderdeel van de uitzettingsprocedure opgelopen vertraging. De staatssecretaris heeft echter reeds de dag volgend op de dag van de overplaatsing ten behoeve van de vreemdeling een vlucht naar Turkije aangevraagd. Hoewel derhalve niet is gebleken dat hij in dit geval op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, is wat het verloop van de hiervoor beschreven handelingen in zijn geheel betreft geen sprake van een inbreuk op de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, zodat geen grond bestaat de voortduring van de bewaring om die reden onrechtmatig te achten. De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 januari 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorengaande, nog moet worden beslist.
2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris had kunnen volstaan met een lichter middel dan bewaring, aangezien hij in afwachting van zijn uitzetting bij zijn zuster kon verblijven. Nu hij de gronden die aan zijn bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist, hij voorts al zes jaar niet rechtmatig in Nederland verblijft, zich nimmer heeft gemeld en evenmin bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de inbewaringstelling onevenredig maken, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met een lichter middel kon worden volstaan om de uitzetting te verzekeren. De staatssecretaris heeft het risico dat de vreemdeling zich niet meer zou melden, zodra zijn uitzetting in zicht kwam, niet hoeven aanvaarden. De beroepsgrond faalt.
2.4. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 januari 2008 alsnog ongegrond verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 februari 2008 in zaak nr. 08/3705;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Vonk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008
345-562.
Verzonden: 3 april 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak