ECLI:NL:RVS:2008:BC9618

Raad van State

Datum uitspraak
16 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200706987/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • M.H. Krol
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake wijziging bouwplan en bouwvergunning in Rotterdam-Overschie

Op 16 mei 2006 werd aan William House XLVI B.V. bouwvergunning verleend voor een bouwplan in Rotterdam-Overschie met onder meer een ondergrondse parkeerplaats, supermarkten, dagwinkels, een bibliotheek en woningen. Vergunninghoudster diende op 28 oktober 2005 een bouwaanvraag in, later gewijzigd met betrekking tot de situering van expeditie-ingangen.

Appellante stelde dat de wijziging van het bouwplan geen wijziging van ondergeschikte aard betrof en dat een nieuwe vergunningaanvraag vereist was. Zij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had afgezien van het horen van een getuige over de oorspronkelijke situering van de expeditie-ingangen. De Afdeling oordeelde dat het oorspronkelijke bouwplan al voorzag in een expeditie-ingang aan de Hoornsingel en dat de wijziging slechts beperkte bouwtechnische en stedenbouwkundige gevolgen had zonder toename van verkeersbewegingen of verslechtering van de woonomgeving.

Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door de redelijkheid van de verleende ontheffing van de bouwverordening te toetsen, terwijl dit niet aan de orde was in hoger beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200706987/1.
Datum uitspraak: 16 april 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/419 van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2007 in het geding tussen:
[appellante]
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie.
1. Procesverloop
Op 16 mei 2006 is ten behoeve van William House XLVI B.V. (hierna: vergunninghoudster) van rechtswege bouwvergunning verleend voor het oprichten van een ondergrondse parkeerplaats, 2 supermarkten, 10 dagwinkels, een bibliotheek en 92 woningen op de percelen Burgemeester Baumannlaan, Baanweg 175 en de Hoornsingel te Rotterdam, deelgemeente Overschie, kadastraal bekend als sectie C, nrs. 4744, 4983, 4984, 4985 en 5000.
Bij besluit van 20 december 2006 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie (hierna: het dagelijks bestuur), voor zover thans van belang, het door onder meer [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en alsnog ontheffing van de gemeentelijke bouwverordening verleend.
Bij uitspraak van 20 augustus 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door H.G. Elmendorp, P. Hertog en ing. F.H. Groen, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.J.A. Seesink, bijgestaan door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Vergunninghoudster heeft op 28 oktober 2005 bouwvergunning gevraagd voor het oprichten van een ondergrondse parkeergarage, twee supermarken, een aantal dagwinkels, een bibliotheek en 92 woningen. Op 28 april 2006 heeft vergunninghoudster gewijzigde bouwtekeningen ingediend. De wijzigingen hebben betrekking op de situering van de expeditie-ingangen ten behoeve van de van het bouwplan onderdeel uitmakende supermarkten. Overeenkomstig de gewijzigde bouwtekeningen is bouwvergunning verleend voor een bouwplan dat voorziet in het realiseren van twee expeditie-ingangen aan de Hoornsingel.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de wijziging van het bouwplan geen wijziging van ondergeschikte aard betreft. Volgens [appellante] had voor het gewijzigde bouwplan dan ook een nieuwe aanvraag om bouwvergunning moeten worden ingediend. Zij voert in dit verband aan dat de rechtbank heeft miskend dat in het oorspronkelijke bouwplan geen expeditie-ingang aan de Hoornsingel was gesitueerd. De wijziging van het bouwplan betreft volgens haar het verplaatsen van twee expeditie-ingangen naar de Hoornsingel. [appellante] betoogt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van het horen van de door haar meegebrachte getuige, die over de oorspronkelijke situering van de expeditie-ingangen had kunnen verklaren.
2.2.1. Vooropgesteld wordt dat ter beoordeling staat de bouwaanvraag zoals die is ingediend op 28 oktober 2005. Ter zitting van de Afdeling is aan de hand van de bij die bouwaanvraag behorende bouwtekeningen vastgesteld dat het oorspronkelijke bouwplan voorzag in het realiseren van één expeditie-ingang aan de Baanweg en één aan de Hoornsingel. Dat mogelijk de expeditie-ingangen in een eerder concept van het bouwplan elders waren gesitueerd doet niet ter zake. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van het horen van de door [appellante] meegebrachte getuige.
De wijziging van de bouwaanvraag houdt in dat de expeditie-ingang die oorspronkelijk aan de Baanweg was gesitueerd, is verplaatst naar de Hoornsingel. Inpandig heeft deze wijziging tot gevolg dat de indeling van een deel van het bouwplan verandert. De bouwmassa van het bouwplan blijft gelijk. Uitpandig verdwijnt aan de Baanweg een expeditie-ingang en wordt aan de Hoornsingel een glazen pui vervangen door een rolluik. Gelet op het feit dat de wijzigingen zowel in bouwtechnisch als stedenbouwkundig opzicht beperkt zijn en het bouwvolume als gevolg van de wijziging niet verandert, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de wijziging van het bouwplan, zowel op zichzelf beschouwd als afgezet tegen het totale, vrij omvangrijke bouwplan, een wijziging van ondergeschikte aard betreft. Daarbij is tevens van belang dat, anders dan [appellante] stelt, niet is gebleken dat de verplaatsing van de expeditie-ingang van de Baanweg naar de Hoornsingel een aanzienlijke verslechtering van de woonomgeving van [appellante] tot gevolg heeft, door een toename van het aantal verkeersbewegingen en een afname van de verkeersveiligheid ter plaatse. Het betoog van [appellante] dat een gracht (deels) gedempt zou moeten worden, kan thans niet aan de orde komen, reeds omdat de verleende bouwvergunning daarop geen betrekking heeft. Het betoog van [appellante] faalt.
2.3. De Afdeling overweegt ambtshalve dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden door te beoordelen of het dagelijks bestuur in redelijkheid ontheffing van de bouwverordening ten aanzien van de overschrijding van de rooilijnen heeft kunnen verlenen. [appellante] heeft in haar beroepschrift geen gronden aangevoerd die betrekking hebben op de bouwverordening, doch slechts geklaagd over de situering van de expeditie-ingangen. Of een bouwplan in overeenstemming is met de bouwverordening behoort evenmin ambtshalve te worden getoetst, aangezien dit aspect niet kan worden aangemerkt als van openbare orde. De vraag of het dagelijks bestuur in redelijkheid ontheffing van de bouwverordening heeft kunnen verlenen, is derhalve in hoger beroep evenmin aan de orde.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Krol
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008
494.