ECLI:NL:RVS:2008:BC9020

Raad van State

Datum uitspraak
1 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200708614/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning dakopbouw Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 25 mei 2007 een vrijstelling en bouwvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op een bovenwoning te Den Haag. Tegen dit besluit maakten onder meer verzoekers bezwaar, dat door het college op 24 oktober 2007 ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage verklaarde op 4 december 2007 het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.

Tegen deze uitspraak werd hoger beroep ingesteld door verschillende partijen. Verzoekers verzochten vervolgens op 26 februari 2008 de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting van 20 maart 2008 waren verzoekers, het college, vergunninghouder en wederpartij aanwezig.

De voorzitter oordeelde dat het besluit in principe uitvoerbaar is ondanks het ingestelde rechtsmiddel en dat de bouwwerkzaamheden aan de buitenkant nagenoeg voltooid zijn. Hierdoor weegt het belang van vergunninghouder om de bouw voort te zetten zwaarder dan het belang van verzoekers bij schorsing. Ook speelt de civielrechtelijke kwestie van erfafscheiding geen rol in deze bestuursrechtelijke procedure. Daarom wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de dakopbouw wordt afgewezen.

Uitspraak

200708614/2.
Datum uitspraak: 1 april 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/8349, 07/8354, 07/8607 en 07/8608 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 december 2007 in het geding tussen:
[wederpartij],
[verzoekers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de bovenwoning aan de [locatie] te Den Haag.
Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft het college het door onder meer [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 december 2007, verzonden op 5 december 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) de door onder meer [verzoekers] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 oktober 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben [wederpartij] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2007, [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, en [partij] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 maart 2008, waar [verzoekers], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E.R.J. Herklots en J.F.N. Wisse, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. A. de Groot, advocaat te Den Haag, en [wederpartij] als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Voorop wordt gesteld dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is ingesteld. Wel neemt [wederpartij], door gebruik te maken van een nog niet in rechte onaantastbare vergunning, een risico, waarvan de eventuele negatieve gevolgen voor zijn rekening komen. De enkele omstandigheid dat de vergunning mogelijkerwijs niet in stand zal blijven, brengt niet mee dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen. In dit geval is in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bovendien van belang dat de bouwwerkzaamheden in ieder geval aan de buitenkant nagenoeg zijn voltooid, zodat het belang bij schorsing van de bouwvergunning hangende de bodemprocedure naar het oordeel van de voorzitter thans niet zwaarwegend is. Het nadeel aan de kant van [verzoekers] van bebouwing in de directe nabijheid en van vermindering van zonlicht zou immers nu niet meer door schorsing van de bouwvergunning worden weggenomen.
Onder deze omstandigheden moeten de belangen van [vergunninghouder] bij het mogen voortzetten van de bouwactiviteiten hangende hoger beroep van zwaarder gewicht worden geacht dan die van [verzoekers] bij het schorsen van de vergunning. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de ter zitting gestelde overschrijding van de erfafscheiding door de dakopbouw in deze procedure geen rol kan spelen, nu dit een civielrechtelijke kwestie betreft. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om wat betreft de beoordeling van de gronden van het hoger beroep tegen het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de rechtmatigheid van het bestreden besluit vooruit te lopen op het oordeel van de Afdeling.
2.3. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008
392.