ECLI:NL:RVS:2008:BC7780
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting bij hernieuwde vreemdelingenbewaring na lange tussenperiode
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die een nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring van een vreemdeling onrechtmatig achtte wegens het ontbreken van zicht op uitzetting.
De Raad van State stelt dat bij de beoordeling van een nieuwe inbewaringstelling moet worden gekeken of er op dat moment aanknopingspunten zijn die het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn uitsluiten. De redenen voor opheffing van eerdere bewaring mogen niet worden betrokken als sinds die opheffing een lange periode is verstreken, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. In deze zaak was er een periode van vijftien maanden en drie weken verstreken tussen de laatste opheffing en de nieuwe maatregel, wat als een lange periode wordt beschouwd.
De Raad van State oordeelt dat het feit dat de vreemdeling meermalen in bewaring is gesteld en de laatste bewaring ruim elf maanden duurde, geen bijzondere omstandigheden vormen die het zicht op uitzetting belemmeren. De eerdere opheffingsgronden zijn daardoor niet meer relevant. De vreemdeling heeft onvoldoende aangetoond dat hij volledige medewerking heeft verleend aan zijn vertrek, maar ook niet dat de Russische autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken.
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.