AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging van besluit tot verwijdering tussenwanden en kantoorruimten in bedrijfshal
Het college van burgemeester en wethouders van Aalburg heeft appellant bij besluit van 15 november 2005 bevolen om de tussenwanden en kantoorruimten in een bedrijfshal te verwijderen en verwijderd te houden, onder dreiging van een dwangsom. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Breda verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gemachtigde geen afschrift van het besluit had ontvangen, waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het college de verzending van het besluit aan de gemachtigde aannemelijk had gemaakt en dat de enkele ontkenning van ontvangst door de gemachtigde niet geloofwaardig was. Volgens vaste jurisprudentie verloopt het contact met een gemachtigde in beginsel via die gemachtigde, en de verzending aan deze gemachtigde geldt als juiste bekendmaking.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Loeb en leden Offers en van Altena op 26 maart 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200705258/1.
Datum uitspraak: 26 maart 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2007 in zaak nr. 06/3733 in het geding tussen:
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Aalburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2005 heeft verweerder (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast de tussenwanden en de kantoorruimten in de bedrijfshal op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2008, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij en mr. M.C. van Doornik, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat het besluit van 15 november 2005 bij aangetekende brief op 22 november 2005 aan [appellant] is verzonden en het bezwaarschrift daartegen door diens gemachtigde na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend.
[appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is, heeft miskend dat zijn toenmalige gemachtigde, anders dan het college heeft gesteld, geen afschrift van het besluit van 15 november 2005 heeft ontvangen.
2.2. Het college heeft de vorenbedoelde gemachtigde in het besluit van 15 november 2005 als gemachtigde van [appellant] aangemerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2007 in zaak nr. 200703442/1), vloeit uit artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (PG Awb I, p. 167) en artikel 6:17 vanPro de Awb, voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Hiervoor is niet van belang of het besluit daarnaast ook aan de belanghebbende zelf is gestuurd.
2.2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 27 april 2004 in zaak nr. 200402504/1) is het, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.
2.2.2. Op het besluit van 15 november 2005 is door middel van een paraaf van de administratie van de gemeente Aalburg te kennen gegeven dat een afschrift ervan is verzonden aan de vorenbedoelde gemachtigde en aan enkele instanties. Dat besluit was verder voorzien van de juiste tenaamstelling en adressering van die gemachtigde. Naar niet is weersproken, hebben alle instanties het verzonden afschrift ontvangen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het er terecht voor gehouden dat het college een afschrift van het besluit op 22 november 2005 aan de gemachtigde heeft verzonden.
De enkele ontkenning van de gemachtigde dat hij het afschrift heeft ontvangen, hetgeen te wijten zou zijn aan het groot aantal stukken dat het college in die periode aan hem heeft verzonden, heeft de rechtbank voorts terecht niet aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning van ontvangst daarvan, te minder omdat hij in zijn brief van 12 januari 2006 ten onrechte stelt dat [appellant] evenmin een afschrift heeft ontvangen. Zij heeft het er derhalve terecht voor gehouden dat het afschrift van het besluit van 15 november 2005 door de gemachtigde is ontvangen en met juistheid overwogen dat het college de overschrijding van de bezwaartermijn door [appellant] terecht niet verschoonbaar heeft geacht.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.