Uitspraak
200603524/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Velsen weigerde op 13 april 2006 een bouwvergunning voor het oprichten van een kantoor met bedrijfshallen op een perceel te Velsen. Appellanten A en B stelden beroep in tegen deze weigering, waarbij appellant B tevens bezwaar maakte tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het bezwaar van appellant B niet-ontvankelijk.
In hoger beroep betoogde appellant B dat zij als beoogd gebruiker van het kantoor en de bedrijfshallen voldoende belanghebbende is, en dat het college ten onrechte haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens werd aangevoerd dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, waarbij werd betoogd dat appellant B als ondersteunend bedrijf moet worden aangemerkt. De Raad van State oordeelde dat appellant B voldoende belanghebbende is en vernietigde het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar, maar verklaarde het bezwaar inhoudelijk ongegrond.
De Raad bevestigde dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een bouwbedrijf niet als ondersteunend bedrijf kan worden aangemerkt. Ook werd geoordeeld dat het college de weigering van vrijstelling voldoende heeft gemotiveerd en het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant B.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant B wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar vernietigd, maar het bezwaar wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.