ECLI:NL:RVS:2008:BC6595
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over toepassing standstill-clausule bij eerste toelating Turkse zelfstandige
De zaak betreft een hoger beroep tegen de weigering van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen aan een Turkse vreemdeling voor het verrichten van zelfstandige arbeid. De aanvraag werd afgewezen omdat de vreemdeling niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, een vereiste dat sinds 1 april 2001 is aangescherpt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat deze aanscherping een nieuwe beperking vormt in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije. Dit artikel verbiedt nieuwe beperkingen ten aanzien van de vrijheid van vestiging van Turkse staatsburgers, ook bij eerste toelating.
De Afdeling bevestigt dat het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, ook al is het een formeel vereiste, onder de werkingssfeer van artikel 41 valt Pro en dat het besluit van 28 juni 2004 van de minister daarom onrechtmatig is. De eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van het besluit van de minister en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.