ECLI:NL:RVS:2008:BC6036
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging huwelijk en fraude bij naturalisatieverzoek
De minister van Justitie heeft het Nederlanderschap van wederpartij ingetrokken omdat hij bij zijn naturalisatieverzoek heeft verzwegen dat hij op 29 november 1989 hertrouwd was met een andere partner, terwijl hij later op 16 mei 1997 opnieuw trouwde. Dit leidde tot een vermeend bigamieprobleem en fraude bij de verkrijging van het Nederlanderschap.
De rechtbank Amsterdam had het besluit van de minister vernietigd en het beroep van wederpartij gegrond verklaard, mede omdat stukken die in beroep waren overgelegd niet als nieuw bewijs mochten worden meegewogen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht de stukken in behandeling heeft genomen, maar dat deze onvoldoende bewijs leveren dat het eerdere huwelijk was ontbonden vóór het tweede huwelijk. De minister mocht daarom het Nederlanderschap intrekken op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap wegens fraude.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van wederpartij ongegrond. Ook werd geoordeeld dat het feit dat het tweede huwelijk in Marokko was gesloten en polygamie daar was toegestaan, niet relevant was voor de toepassing van de Nederlandse wetgeving. De situatie ten tijde van het naturalisatieverzoek is bepalend.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van volledige en juiste informatie bij naturalisatie en de toepassing van het verbod op bigamie in het kader van het Nederlanderschap.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wegens verzwijging van een eerder huwelijk bij naturalisatie wordt bevestigd en het beroep van wederpartij ongegrond verklaard.