ECLI:NL:RVS:2008:BC5894
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en toepassing lichter middel bij langdurig verblijf zonder legalisatie
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling had opgeheven en schadevergoeding toegekend. De vreemdeling verbleef al vele jaren in Nederland zonder zijn verblijf te legaliseren. De staatssecretaris stelde dat bewaring noodzakelijk was vanwege het risico op ontduiking van uitzetting en dat een lichter middel niet volstond.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan, mede omdat de bewaring pas vijf maanden na het ontstaan van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf was opgelegd. De Raad van State oordeelde dat dit geen verplichting tot nadere motivering oplevert en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd dat bewaring noodzakelijk was.
De vreemdeling had betwist dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had, geen middelen van bestaan en geen identiteitspapier, maar kon dit niet aantonen. De Raad van State concludeerde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat bewaring noodzakelijk was en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring gehandhaafd.