ECLI:NL:RVS:2008:BC5770
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Kreveld
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning lozing afvalwater Coupépolder wegens onvoldoende toepassing beste beschikbare technieken
Dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland verleenden aan de gemeente Alphen aan den Rijn een vergunning voor het indirect lozen van drainagewater afkomstig van een voormalige stortplaats in de Coupépolder. Deze vergunning was voor vier jaar en bevatte voorschriften over meet- en bemonsteringsregimes en het indienen van een saneringsplan.
Appellanten en het college van burgemeester en wethouders stelden beroep in tegen deze vergunning. Zij bekritiseerden onder meer het meet- en bemonsteringsregime en het voorschrift dat een saneringsplan moest worden ingediend zonder directe verplichting tot het aanbrengen van een waterdichte bovenafdichting.
De Raad van State oordeelde dat het meet- en bemonsteringsregime redelijk was en dat het college van burgemeester en wethouders geen gelijk kreeg in haar betoog dat geen voorschriften op grond van de Wvo konden worden gesteld. Wel stelde de Raad vast dat het besluit onvoldoende motiveerde dat vanaf het begin van de vergunning de beste beschikbare technieken worden toegepast, zoals vereist volgens de Wet milieubeheer en de Wvo.
Daarom werd het beroep van appellanten gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Dijkgraaf en hoogheemraden werden opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders werd ongegrond verklaard. Tevens werden proceskosten toegekend aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van toepassing beste beschikbare technieken vanaf het begin van de vergunning.