ECLI:NL:RVS:2008:BC4733
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Rechtmatig verblijf bij beroep tegen vreemdelingenbewaring en voorlopige voorziening
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen zijn vreemdelingenbewaring ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde dat hij rechtmatig verblijf had omdat hij in afwachting van de beslissing op zijn beroepschrift was en een verzoek tot voorlopige voorziening had ingediend.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet schorst tenzij wettelijk anders bepaald. Artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bevat een uitputtende opsomming van gronden voor rechtmatig verblijf, waarin de situatie van afwachting van een beroepsbeslissing met een verzoek tot voorlopige voorziening niet is opgenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de lopende verblijfsrechtelijke procedure de inbewaringstelling niet in de weg staat. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.