Uitspraak
200409515/1, aldus [appellant sub 1].
Raad van State
De gemeenteraad van Renkum stelde op 29 juni 2006 het bestemmingsplan "Oosterbeek-Zuid 2006" vast, dat door het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 27 februari 2007 werd goedgekeurd. Drie appellanten stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State behandelde het beroep en oordeelde over de ontvankelijkheid en inhoudelijke bezwaren.
Appellant sub 1 voerde aan dat het bouwvlak op de percelen Utrechtseweg 96-100 ten onrechte was verruimd, wat zijn woon- en leefklimaat zou aantasten. De Raad oordeelde dat het plan de bestaande situatie vastlegt en geen verruiming inhoudt, zodat dit beroep ongegrond is.
Appellant sub 2 stelde dat zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming kreeg en verweerder onvoldoende rekening hield met een stedenbouwkundig rapport en positieve adviezen. De Raad vond dat het college deze rapportage ten onrechte niet had betrokken bij de belangenafweging, waardoor het besluit niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was. Dit beroep werd gegrond verklaard.
Appellant sub 3 betoogde dat het perceel met het hoofdgebouw van partij b ten onrechte de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" kreeg zonder inspraak en dat de bestemming te ruim was. De Raad constateerde dat de gevolgen van deze bestemming niet waren onderkend of betrokken bij de belangenafweging, waardoor ook dit beroep gegrond is. De Raad vernietigde het besluit voor zover het de bestemmingen "Voorerf" en "Achtererf" voor het perceel van appellant sub 2 en de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" voor het perceel van appellant sub 3 betreft. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant sub 2.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt delen van het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan voor specifieke percelen wegens strijd met zorgvuldigheid en motivering en verklaart twee beroepen gegrond.