Uitspraak
200605039/1.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende op 27 juli 2007 een vergunning aan een vergunninghoudster voor het oprichten en exploiteren van een inrichting voor het inzamelen, opslaan, sorteren en bewerken van bouw- en sloopafval, inclusief het tijdelijk opslaan van lichtverontreinigde grond. De vergunning werd ter inzage gelegd en hiertegen stelde een groep appellanten beroep in bij de Raad van State.
De appellanten voerden onder meer aan dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet was bijgevoegd en dat in de vergunningvoorschriften geen verwijzing was opgenomen naar paragraaf 3.8.1 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR), terwijl dit wel was toegezegd. De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van het luchtkwaliteitsonderzoek als bijlage een onregelmatigheid was die de rechtmatigheid van het besluit niet aantastte, mede omdat het onderzoek later alsnog aan appellanten was toegezonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het ontbreken van de verwijzing naar de NeR in hoofdstuk 2 van de vergunningvoorschriften een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betekende. Daarom werd het besluit voor zover dit betreft vernietigd en werd de vergunning aangepast met een voorschrift dat expliciet verwijst naar de NeR. Andere bezwaren, zoals het ontbreken van controlevoorschriften, werden ongegrond verklaard. De provincie Noord-Brabant werd verplicht het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor het ontbreken van een verwijzing naar de Nederlandse emissierichtlijn lucht in de vergunningvoorschriften.