ECLI:NL:RVS:2008:BC3854
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortvarendheid staatssecretaris bij vreemdelingenbewaring en uitzetting
De vreemdeling werd op 22 november 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank ’s-Gravenhage had het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend, omdat zij oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzettingsprocedure.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de uitzetting volgens het beleid via de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en uitzetcentra verloopt, en dat hij na overbrenging van de vreemdeling naar het uitzetcentrum reeds de volgende dag een vlucht naar Londen had aangevraagd. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris conform het beleid had gehandeld en dat er geen sprake was van een inbreuk op de vereiste voortvarendheid.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en zag af van een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.