ECLI:NL:RVS:2008:BC3685

Raad van State

Datum uitspraak
30 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200706390/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • T.M.A. Claessens
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 3.22 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2003/86/EGArt. 44 Wet op de Raad van StateArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake inkomenseis gezinshereniging en gezinsvorming

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zichzelf en haar minderjarige kinderen, die door de minister van Buitenlandse Zaken op 11 juli 2006 werd afgewezen vanwege onvoldoende duurzame middelen van bestaan van de echtgenoot. De minister herroept dit besluit op 29 november 2006, maar wijst het verzoek om vergoeding van rechtsbijstandskosten af.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en oordeelde dat niet was gebleken dat het oorspronkelijke besluit was herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte de inkomenseis voor gezinsvorming op haar had toegepast in plaats van de richtlijn voor gezinshereniging.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank niet adequaat heeft gemotiveerd waarom zij de vraag of het onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming in overeenstemming is met de richtlijn niet heeft beantwoord. De uitspraak wordt vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor nieuwe behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling met inachtneming van de overwegingen.

Uitspraak

200706390/1.
Datum uitspraak: 30 januari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/233 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2007 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] (hierna: de vreemdeling), om haar en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij besluit van 13 december 2006 heeft de minister het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van de vreemdeling in bezwaar afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
2.2. In het besluit van 11 juli 2006 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling beoordeeld aan de hand van de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinsvorming en deze afgewezen omdat de echtgenoot van de vreemdeling bij wie verblijf wordt beoogd niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister dit besluit herroepen, omdat alsnog aan de desbetreffende vereisten werd voldaan, aldus de motivering van de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar in het besluit van 13 december 2006.
2.3. De enige grief wordt aldus begrepen dat de vreemdeling klaagt dat de rechtbank haar oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 11 juli 2006 is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
2.3.1. In beroep bij de rechtbank heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister ten onrechte de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinsvorming op haar van toepassing heeft geacht. Daartoe heeft de vreemdeling aangevoerd dat Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn) op haar van toepassing is en deze richtlijn ten aanzien van de hoogte van de inkomsten geen onderscheid maakt tussen gezinshereniging en gezinsvorming. Gelet hierop had de minister de inkomensnorm van 120 procent, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, niet op haar van toepassing mogen achten, doch de aanvraag moeten beoordelen aan de hand van de vereisten die gelden voor toelating in het kader van gezinshereniging.
2.3.2. Door haar oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 11 juli 2006 is herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid, enkel te baseren op de overweging dat de jurisprudentie met betrekking tot de vraag of het in het nationale recht gemaakte onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming in overeenstemming is met de richtlijn nog niet is uitgekristalliseerd, heeft de rechtbank niet onderkend dat het aan haar was deze vraag te beantwoorden. Dat oordeel is aldus niet van een deugdelijke motivering voorzien.
De grief slaagt.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2007 in zaak nr. 07/233;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter w.g. Van der Winden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008
348-434.
Verzonden: 30 januari 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak