ECLI:NL:RVS:2008:BC3234
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid vreemdelingenbewaring en belangenafweging bij ongewenstverklaring
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling op 12 november 2007 onrechtmatig achtte en de maatregel ophefte met toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank had haar eigen oordeel gesteld boven dat van de bevoegde staatssecretaris en onvoldoende rekening gehouden met de ongewenstverklaring van de vreemdeling en het tegen hem ingeroepen artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank zich ten onrechte niet beperkte tot toetsing van de redelijkheid van de maatregel en dat de staatssecretaris deze omstandigheden mag betrekken in zijn belangenafweging.
De Raad stelt vast dat er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken en dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Afghanistan, ondanks argumenten van de vreemdeling. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro faalt omdat dit niet aan de orde is in deze procedure.
De Afdeling verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling blijft gehandhaafd.