ECLI:NL:RVS:2008:BC2492
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt-Schouten
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep vreemdeling op IVRK in hoger beroep bestuursrecht
De vreemdeling had bij besluit van 23 februari 2006 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen gekregen. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank 's Gravenhage, die het beroep ongegrond verklaarde op 11 juli 2007. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de artikelen 3, 14 en 19 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) buiten beschouwing had gelaten omdat dit beroep pas in hoger beroep was aangevoerd. De Raad van State overwoog dat deze aanvullende beroepsgrond tijdig was ingediend en binnen de grenzen van de goede procesorde viel, en dat de rechtbank had moeten onderkennen dat deze beroepsgrond verband hield met eerdere zienswijzen over het ontbreken van reispapieren.
Desondanks oordeelde de Raad van State dat de rechtbank zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de minderjarigheid van de vreemdeling niet leidde tot het oordeel dat hem niets kon worden verweten omtrent het ontbreken van documenten. Dit oordeel was niet bestreden in hoger beroep, waardoor het beroep op het IVRK faalde.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.