1. Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) appellant onder oplegging van een preventieve dwangsom gelast het uitvoeren van bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te Schijndel (hierna: het perceel) achterwege te laten.
Bij brief van 23 februari 2006 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2005.
Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college alsnog het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2005 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 februari 2007, verzonden op 5 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 26 juni 2006 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 23 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door C.C.P. van der Steen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift van 10 augustus 2005. Appellant voert daartoe aan dat hij, ondanks dat het college alvorens de rechtbank uitspraak deed, alsnog op zijn bezwaar heeft besloten, toch belang had bij het verkrijgen van een tijdige beslissing op zijn bezwaarschrift. Dat belang is, naar appellant ter zitting heeft aangevoerd, gelegen in de verkrijging van schadevergoeding van het college.
2.1.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 november 2001 in zaak nr. 200004709/1 (AB 2002, 183), kan uit de enkele omstandigheid dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen bezwaar en beroep is ingesteld, niet de conclusie worden getrokken dat het desbetreffende bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die uit dat niet tijdig nemen van een besluit kan voortvloeien. Gelet hierop had appellant, nu het college alsnog een besluit op bezwaar had genomen alvorens de rechtbank uitspraak deed op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. De rechtbank heeft dientengevolge terecht geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2.2. Blijkens het bij de stukken behorende fotomateriaal hebben de bouwwerkzaamheden betrekking op een voormalige boerderij, die bestaat uit een woonhuis, een daarmee verbonden tussenlid en verder een met het tussenlid verbonden koeienstal.
2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om het besluit van 5 juli 2005 te nemen. Appellant voert daartoe aan dat de op zijn perceel verrichte bouwwerkzaamheden bouwvergunningvrij zijn.
2.4.1. Uit het besluit van het college van 5 juli 2005 blijkt dat onder de werkzaamheden waarop de last ziet, het opmetselen van de buitengevel van de woning op het perceel betreft. Uit het hiervoor genoemde fotomateriaal blijkt dat het opmetselen van de buitengevel van de woning het vervangen van nagenoeg de gehele gevelbekleding van de gevels betreft en niet, zoals appellant betoogt, het enkel opnieuw voegen van de gevels.
Gezien de aard en de omvang van de werkzaamheden is van gewoon onderhoud aan de woning als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder b, van de Woningwet, geen sprake. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 januari 2006, nr. 200503236/1 (www.raadvanstate.nl) kan uit de context waarin het begrip "gevelpaneel" in artikel 2, onder c, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) voorkomt, worden afgeleid dat de wetgever niet bedoeld heeft een gevelbekleding vergunningsvrij mogelijk te maken indien die gevelbekleding (bijna) het gehele oppervlak van de gevel beslaat. Van bouwvergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet in samenhang met het Bblb, is evenmin sprake.
Aangezien het vervangen van de gevelbekleding niet is aan te merken als bouwvergunningvrij bouwen, was het college bevoegd tot oplegging van de last. De rechtbank is terecht niet tot een ander oordeel gekomen. Het betoog faalt.
2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Handhavend optreden kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5.1. Anders dan appellant betoogt had het college niet behoeven te onderzoeken of het bouwplan kan worden gelegaliseerd alvorens het besloot een last onder preventieve dwangsom op te leggen. De opgelegde last ziet alleen op het achterwege laten van de werkzaamheden waarop de last betrekking heeft en niet op het ongedaan maken daarvan. De vraag of voor vorenbedoelde werkzaamheden alsnog een bouwvergunning kan worden verleend is niet van belang voor de rechtmatigheid van het dwangsombesluit. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.5.2. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat ambtenaren van de gemeente bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat tegen de bouwwerkzaamheden niet handhavend zou worden opgetreden, aangezien hij op aanraden van die ambtenaren het bouwplan heeft gesplitst in bouwvergunningvrije en bouwvergunningplichtige werkzaamheden. Daargelaten dat het college betwist dat zijn ambtenaren dergelijke uitlatingen hebben gedaan, zijn deze uitlatingen door appellant niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is gebleken van ondubbelzinnige schriftelijke toezeggingen dat de werkzaamheden bouwvergunningvrij zijn of dat er voor de bouwvergunningplichtige werkzaamheden bouwvergunning zou worden verleend.
2.5.3. Anders dan appellant stelt, is evenmin gebleken dat er grond bestaat voor het oordeel dat het college het besluit van 5 juli 2005 heeft genomen, op de grond dat appellant onvolledige informatie zou hebben verschaft bij de aanvraag om bouwvergunning.
2.5.4. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in hetgeen appellant betoogt geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die het college van handhavend optreden had moeten doen afzien.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.