ECLI:NL:RVS:2007:BC1461
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling op 5 november 2007 had opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De vreemdeling was eerder in bewaring gesteld, maar die maatregel was op 19 maart 2007 opgeheven, waardoor een geplande presentatie bij de Angolese autoriteiten niet kon plaatsvinden.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen zicht op uitzetting was, maar de Raad van State stelt dat dit oordeel onjuist was omdat er onderzoek zou plaatsvinden dat bij de eerdere inbewaringstelling niet had plaatsgevonden. Hierdoor waren er wel aanknopingspunten voor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De vreemdeling voerde aan dat een lichter middel dan bewaring volstond, omdat hij zich had gemeld voor een verblijfsvergunning en een vaste verblijfplaats had bij zijn zwangere vriendin. De Raad van State oordeelt echter dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat bewaring noodzakelijk was, mede omdat de vreemdeling zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden.
Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling gehandhaafd.