ECLI:NL:RVS:2007:BC0714
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat asielbesluit terecht is gebaseerd op eigen nationaliteit vreemdeling
De vreemdeling, van Wit-Russische nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen gekregen door de minister. De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat zij de verblijfsvergunning van de Afghaanse echtgenoot van de vreemdeling als relevant achtte voor de beoordeling van haar aanvraag, en oordeelde dat het besluit in strijd was met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het asielrelaas van de echtgenoot heeft betrokken bij de beoordeling van de vreemdeling, aangezien zij uit verschillende landen afkomstig zijn en het Vluchtelingenverdrag en de Vreemdelingenwet 2000 het asielrelaas moeten toetsen aan de eigen nationaliteit.
De Raad van State bevestigde dat artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het Vluchtelingenverdrag uitsluitend bescherming bieden aan personen die zich buiten het land van hun eigen nationaliteit bevinden en die bescherming van dat land niet kunnen of willen inroepen. De verblijfsvergunning van de echtgenoot kan daarom niet als grond voor afwijking dienen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug naar de rechtbank om opnieuw te beslissen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werden de proceskosten vastgesteld en aan de rechtbank opgedragen hierover te beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling.