ECLI:NL:RVS:2007:BC0698
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring door onvoldoende voortvarendheid uitzettingshandelingen
De zaak betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling was op 24 september 2007 in bewaring gesteld en gaf op 25 september 2007 te kennen een asielaanvraag te willen indienen. De staatssecretaris stelde uitzettingshandelingen uit en plaatste de vreemdeling pas na de zitting bij de rechtbank over naar het Aanmeldcentrum Schiphol (AC Schiphol) om daar de asielaanvraag in te dienen.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid betrachtte bij de uitzetting. De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat hij zich diende te onthouden van uitzettingshandelingen zolang de vreemdeling een asielaanvraag wilde indienen en dat binnen zes weken op die aanvraag zou worden beslist.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en overwoog dat de maatregel van bewaring slechts is toegestaan met het oog op uitzetting. Het uitstel van uitzettingshandelingen om organisatorische redenen, zoals het afstemmen van overplaatsing op de zittingsdatum, is onvoldoende voortvarend en onrechtmatig. De vaste gedragslijn van de staatssecretaris om binnen zes weken te beslissen ontslaat niet van de verplichting tot voortvarende uitzettingshandelingen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingshandelingen; het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.