ECLI:NL:RVS:2007:BB9988
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende persoonlijk risico op schending artikel 3 EVRM
Appellant, behorend tot de Hazara bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat hoewel de Hazara als minderheidsgroep speciale aandacht verdient vanwege hun kwetsbare positie en eerdere discriminatie, dit niet automatisch betekent dat alle leden van deze groep bescherming krijgen tegen ernstige mensenrechtenschendingen. Appellant moest persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk maken waaruit blijkt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, hetgeen niet is gebeurd.
De Raad bevestigde dat de enkele mogelijkheid van schending onvoldoende is en dat het individualiseringsvereiste blijft gelden. De informatie over de situatie van de Hazara werd meegewogen maar was niet doorslaggevend zonder persoonlijke risicoaantoon. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd wegens onvoldoende persoonlijk risico op schending artikel 3 EVRM.