ECLI:NL:RVS:2007:BB9980
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek toevoeging op grond van Wet op de rechtsbijstand wegens ontbreken nieuw gebleken feiten
De raad voor rechtsbijstand te Amsterdam wees op 28 januari 2005 het verzoek van appellant om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand af. Appellant maakte hiertegen geen bezwaar, waardoor dit besluit in rechte vaststond. Later overhandigde appellant een juiste balans over 2003, nadat abusievelijk de balans van zijn zuster was ingediend. De raad zag dit als een bezwaar tegen de herzieningsbeslissing van 19 mei 2005, welke werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het overleggen van de juiste balans geen nieuw feit of veranderde omstandigheid was in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellant deze gegevens reeds bij de aanvraag had kunnen overleggen. Het feit dat de juiste balans pas na onherroepelijkheid werd ingediend, kwam voor risico van appellant. De raad hoefde de juistheid van de gegevens niet te toetsen aan eerdere aanvragen.
Appellant voerde aan dat sprake was van een evidente misslag en dat de raad had moeten afleiden dat een fout was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde dit niet en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De Afdeling oordeelde dat het ne bis in idem-beginsel van toepassing is en dat het verzoek om herziening niet kon leiden tot een nieuwe beoordeling zonder nieuwe feiten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om toevoeging wordt bevestigd.