Uitspraak
200604911/1. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is derhalve niet overschreden. Het betoog kan dan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel.
Raad van State
Het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland weigerde op 27 augustus 2004 een vergunning aan appellante voor het dempen van een sloot en het bouwen van zes woningen. Appellante had de sloot reeds gedempt zonder vergunning en kon geen verklaring van de eigenaar van het naastgelegen perceel overleggen dat deze instemde met compensatie van het verloren water.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de weigering ongegrond en ook de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat demping van een watergang vergunningplichtig is, ook als de sloot tijdelijk droog stond, omdat deze een functie heeft in de waterbalans. Het college hanteert een vaste gedragslijn dat verloren wateroppervlak gecompenseerd moet worden, en appellante had geen mogelijkheid om vervangend water te realiseren.
Verder oordeelt de Raad dat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan een eerder positief advies van de bezwaarschriftencommissie, omdat het college gemotiveerd van dat advies mocht afwijken. De totale duur van de procedure wordt niet als onredelijk lang beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de vergunningaanvraag voor demping van een sloot en bouwen van zes woningen.