ECLI:NL:RVS:2007:BB9418
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting bij herhaalde vreemdelingenbewaring na lange periode
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling wegens het ontbreken van zicht op uitzetting onrechtmatig achtte en de maatregel ophefte.
De vreemdeling was meerdere malen in bewaring gesteld en had tevergeefs geprobeerd zelfstandig terug te keren naar haar land van herkomst. De rechtbank had geoordeeld dat sinds de opheffing van de vorige bewaring niet een zodanig lange periode was verstreken dat de feiten en omstandigheden die toen tot opheffing leidden, hun betekenis hadden verloren.
De Raad van State stelt dat het tijdsverloop van anderhalf jaar en twee weken tussen de laatste opheffing van de eerdere bewaring en de nieuwe maatregel een lange periode vormt, waardoor de eerdere redenen voor opheffing niet meer relevant zijn. De individuele situatie van de vreemdeling, waaronder haar herhaalde bewaring en pogingen tot terugkeer, vormen geen bijzondere omstandigheden die dit oordeel veranderen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de maatregel van inbewaringstelling als rechtmatig bevestigd.