ECLI:NL:RVS:2007:BB9415
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling en beoordeling zicht op uitzetting
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, die de inbewaringstelling van een vreemdeling op 18 juli 2007 onrechtmatig had verklaard en de maatregel had opgeheven, met toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege het geringe aantal afgegeven laissez-passers door de Chinese autoriteiten in 2006. De staatssecretaris stelde dat dit oordeel onjuist was en dat bij de nieuwe inbewaringstelling moest worden beoordeeld of er op dat moment zicht op uitzetting bestond, los van eerdere uitspraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was. De Afdeling stelt dat het zicht op uitzetting moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van de nieuwe maatregel en dat er aanknopingspunten zijn dat reëel zicht op uitzetting niet ontbreekt. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.