ECLI:NL:RVS:2007:BB9395
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens gezinsleven en nieuwe feiten
Appellant had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij inmiddels traditioneel was gehuwd met een vreemdeling en samen een kind verwachtten, en beriep zich op artikel 8 EVRM Pro.
De Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet had onderzocht of de door appellant gestelde feiten en omstandigheden als nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden konden worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tevens had de voorzieningenrechter appellant niet in de gelegenheid gesteld deze feiten te staven en had de staatssecretaris niet schriftelijk gevraagd moeten worden of deze feiten aanleiding gaven tot handhaving, wijziging of intrekking van het besluit.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling met inachtneming van de overwegingen van de Raad van State. De beslissing over proceskosten in hoger beroep werd gereserveerd voor de einduitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.