Uitspraak
200604465/1 en 200604465/2, wordt overwogen dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding bestaat, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is aangewezene is om die vraag te beantwoorden en appellant de mogelijkheid heeft dat antwoord te verkrijgen. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat van een civielrechtelijke belemmering met een evident karakter in dit geval niet is gebleken.