Uitspraak
200600535/1, waarbij een eerder besluit tot vergunningverlening voor uitbreiding van de veehouderij met een mestvergistingsinstallatie is vernietigd.
Raad van State
Verweerder heeft op 27 maart 2007 een vergunning verleend voor het veranderen van een veehouderij met een mestvergistingsinstallatie en warmtekrachtinstallatie (WKK). Appellant stelde dat de veehouderij en een nabijgelegen windturbine als één inrichting moeten worden beschouwd en dat het besluit ten onrechte geluidgrenswaarden hanteert die tot onaanvaardbare hinder leiden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat er onvoldoende technische, organisatorische of functionele bindingen zijn tussen de windturbine en de veehouderij met mestvergistingsinstallatie om deze als één inrichting aan te merken. De geluidvoorschriften uit een eerdere milieuvergunning zijn passend en de geluidbelasting blijft binnen de aanvaardbare grenzen. Ook is de omvang van de activiteiten en het aantal vrachtwagenbewegingen voldoende duidelijk.
Verder is geoordeeld dat het bestemmingsplan geen rol speelt bij de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer en dat de vrees voor niet-naleving van de registratieplicht in het milieulogboek niet tot vernietiging leidt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor de uitbreiding van de veehouderij met mestvergistingsinstallatie is ongegrond verklaard.