Uitspraak
200307603/1, volgt dat de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren, niet los kan worden gezien van de vraag of het bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling. Gelet op deze samenhang omvat de beoordeling van de vraag of in redelijkheid van de vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik kon worden gemaakt, mede de beoordeling van de vraag of daartoe de bevoegdheid bestond. Alvorens een inhoudelijk oordeel te geven, diende de rechtbank derhalve vast te stellen of aan het college bevoegdheid was toegekend om vrijstelling te verlenen. Vast staat dat het bestemmingsplan niet binnen tien jaar is herzien en dat het college van gedeputeerde staten geen vrijstelling heeft verleend van de verplichting tot herziening van het bestemmingsplan. Verder is geen sprake van de terinzagelegging van een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of van een door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit. Gelet hierop was het college wettelijk niet bevoegd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college de vrijstelling niet anders dan kon weigeren. De stelling van appellant dat dit oordeel tot vernietiging van het bestreden besluit had moeten leiden, slaagt niet. De weigering om medewerking te verlenen aan de vrijstelling was, gelet op het vorenstaande rechtens de enig juiste beslissing, zodat er geen aanleiding was die beslissing waartoe het college, zij het op een andere grond ook was gekomen, te vernietigen. Ook indien het college een nader besluit zou hebben moeten nemen, had dit, gelet op het geconstateerde bevoegdheidsgebrek, niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Onder deze omstandigheden behoeven de overige grieven van appellant geen bespreking.