Uitspraak
200503447/1, overwogen dat een concreet zicht op legalisatie niet bestaat nu het besluit van 14 april 2003 waarbij vrijstelling en bouwvergunning voor het bijgebouw is geweigerd in rechte onaantastbaar is geworden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten heeft op 9 november 2005 een dwangsom opgelegd om een zonder bouwvergunning gebouwde berging te verwijderen. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Almelo, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat bouwen zonder vergunning verboden is volgens artikel 40 van Pro de Woningwet en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Er bestond geen concreet uitzicht op legalisatie omdat de eerdere weigering van bouwvergunning onherroepelijk was geworden. Ook het feit dat een ander bijgebouw elders op het perceel wel vergunning kreeg, leidde niet tot een ander oordeel.
De Raad vond dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die handhaving onevenredig zouden maken. Nieuwe argumenten die appellant pas in hoger beroep aanvoerde, werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.