Uitspraak
200201738/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.
200305297/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.
Raad van State
Bij besluit van 6 juli 1998 verleende het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen een revisievergunning aan NS Railinfrabeheer B.V. voor een spoorwegemplacement. Na meerdere gedeeltelijke vernietigingen van eerdere besluiten, werden in 2006 aanvullende voorschriften (10.4 en 10.5) aan de vergunning verbonden die geluidgrenswaarden voor het emplacement stelden.
Appellanten, verenigd in de Werkgroep Nijmeegs Spoor, stelden beroep in tegen deze voorschriften, met name tegen de uitzonderingen voor boog-, rem-, rol- en stootgeluiden en de hoogte en systematiek van de piekgeluidgrenswaarden. Zij betoogden onder meer dat booggeluiden ten onrechte werden uitgezonderd en dat de piekgeluidbelasting onvoldoende werd beperkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de uitzonderingen in voorschrift 10.4 terecht zijn opgenomen, dat de begrippen voldoende duidelijk zijn en dat de geluidgrenswaarden in voorschrift 10.5 aansluiten bij het vergunde gebruik van gietijzeren blokremmen. Er was geen bewijs dat verdere beperking mogelijk was zonder de vergunde activiteiten onmogelijk te maken. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan bij het verbinden van milieuregels aan vergunningen en benadrukt het belang van het toepassen van beste beschikbare technieken binnen de vergunde activiteiten.
Uitkomst: Het beroep tegen de geluidvoorschriften in de revisievergunning voor het spoorwegemplacement Nijmegen wordt ongegrond verklaard.