Uitspraak
200202686/1 en 200203802/1, en 30 maart 2005, in zaak no.
200406327/1, de weigeringen bouwvergunning te verlenen voor de desbetreffende villa's in rechte onaantastbaar zijn geworden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Baarn weigerde op 3 augustus 2005 ontheffing, vrijstelling en bouwvergunning voor het plaatsen van twee villa's op een perceel dat onderdeel is van een beschermd rijksmonument. Appellanten stelden dat de bouwvergunningen van rechtswege waren verleend, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de beslistermijn was aangehouden vanwege het ontbreken van monumentenvergunningen, waardoor geen vergunningen van rechtswege waren verleend.
De rechtbank Utrecht verklaarde de beroepen van appellanten tegen de besluiten van het college ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de bouwaanvragen niet wezenlijk verschilden van eerdere aanvragen en dat het beperkte toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro terecht werd toegepast.
Verder oordeelde de Afdeling dat het college terecht handhavend kon optreden door dwangsommen op te leggen, omdat de bouw zonder onherroepelijke vergunning plaatsvond en geen concreet uitzicht op legalisatie bestond. De opgelegde dwangsommen stonden in redelijke verhouding tot het geschonden belang en de beoogde werking.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van bouwvergunningen en het opleggen van dwangsommen wegens illegale bouw zonder uitzicht op legalisatie.