ECLI:NL:RVS:2007:BB4278

Raad van State

Datum uitspraak
19 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200705632/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.8 Wet milieubeheerArt. 8.10 Wet milieubeheerArt. 53 Wet geluidhinderArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering milieuvergunning betonmortelcentrale

Verzoekster heeft bij besluit van 13 juli 2007 een milieuvergunning aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale op een gezoneerd industrieterrein. Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, heeft deze vergunning geweigerd omdat de geluidbelasting op de zonegrens van 50 dB(A) al werd overschreden door bestaande inrichtingen.

Verzoekster stelde dat haar bijdrage aan de geluidbelasting verwaarloosbaar was, slechts 0,001 dB(A), en dat dergelijke kleine waarden akoestisch irrelevant zijn. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat bij een bestaande overschrijding elke extra bijdrage een extra inspanning vergt om de geluidbelasting terug te dringen.

Hoewel de procedure niet geschikt was voor een definitieve beantwoording van de vraag of een bijdrage van 0,001 dB(A) vergunningweigering rechtvaardigt, achtte de Voorzitter het niet waarschijnlijk dat de vergunning ten onrechte was geweigerd. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de milieuvergunning is afgewezen.

Uitspraak

200705632/2.
Datum uitspraak: 19 september 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2007 heeft verweerder de door verzoekster gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale geweigerd. Dit besluit is op 23 juli 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 7 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, juridisch adviseur, en [akoestisch adviseur], en verweerder, vertegenwoordigd door G.J.J.M. Boots, ing. G.B.A. Mogot en ing. P.J.W. Appels, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    De aanvraag om verlening van een milieuvergunning van verzoekster heeft betrekking op een perceel op het krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein "Rietvelden-Ertveld". Rond dat terrein is krachtens artikel 53 van Pro de Wet geluidhinder een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer moet deze zonegrenswaarde bij de beslissing op de aanvraag om vergunning in acht worden genomen. Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet de vergunning worden geweigerd,  indien verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat aan de bestaande inrichtingen op het industrieterrein reeds een zodanige geluidruimte is toegekend dat voormelde waarde van 50 dB(A) wordt overschreden. Verlening van de vergunning is volgens verweerder dan ook in strijd met artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
2.3.    Verzoekster betoogt dat verweerder heeft miskend dat de bijdrage van haar inrichting aan de totale geluidsbelasting vanwege het industrieterrein zodanig laag is, dat dit hooguit tot een verhoging van 0,001 dB(A) op de zonegrens leidt. Volgens verzoekster is een dergelijke verhoging verwaarloosbaar te noemen. Daarbij wijst zij er onder meer op dat het rekenen met akoestische waarden van 0,001 dB(A) nauwelijks mogelijk is en dat derhalve enkel waarden vanaf 0,1 dB(A) akoestisch relevant zijn.
2.4.    De Voorzitter stelt voorop dat (zoals onder meer ook is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2006 in zaak no.
200600396/1) bij een bestaande overschrijding van de zonegrenswaarde, elke toevoeging een extra inspanning zal vergen teneinde de geluidbelasting terug te dringen tot de zonegrenswaarde van 50 dB(A). In geschil is of ook een bijdrage van 0,001 dB(A) of minder als een zodanige toevoeging moet worden beschouwd dat verlening van een milieuvergunning daarvoor in strijd is met artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Deze procedure leent zich niet voor een definitieve beantwoording van die vraag. Voorshands acht de Voorzitter het evenwel niet zodanig waarschijnlijk dat de milieuvergunning ten onrechte is geweigerd, dat reeds daarin reden kan worden gevonden het bestreden besluit te schorsen. Ook overigens ziet de Voorzitter daarvoor, hetgeen door verzoekster is aangevoerd in aanmerking genomen en bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding.
2.5.    Gelet hierop wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld    w.g. Blok
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007
428.