ECLI:NL:RVS:2007:BB1431
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opvang en medische noodsituatie bij beëindiging verstrekkingen aan vreemdeling
In deze zaak stond centraal of het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) terecht de verstrekkingen aan een vreemdeling had beëindigd. De voorzieningenrechter had het besluit van het COA vernietigd omdat het COA niet had beoordeeld of bijzondere omstandigheden, waaronder een acute medische noodsituatie, bestonden die opvang noodzakelijk maken.
De Raad van State bevestigde dat de wettelijke taak van het COA ook inhoudt dat opvang kan worden verleend in zeer bijzondere omstandigheden die niet onder de reguliere categorieën van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 vallen. De Raad benadrukte dat het COA bij de beoordeling van een acute medische noodsituatie moet nagaan of het achterwege laten van onmiddellijke behandeling kan leiden tot ernstige schade of overlijden.
Voorts oordeelde de Raad dat het COA ook had moeten onderzoeken of de mantelzorg waarop de vreemdeling was aangewezen valt onder het begrip 'medisch noodzakelijke zorg' zoals bedoeld in artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en of deze mantelzorg elders op vergelijkbare wijze kan worden geboden. Omdat het besluit van 6 februari 2007 deze beoordeling ontbeerde, was het oordeel van de voorzieningenrechter terecht.
Het hoger beroep van het COA werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Het COA werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 322,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van het COA wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.