ECLI:NL:RVS:2007:BB1412
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel na toegangsweigering vreemdeling
In deze zaak is aan een vreemdeling op 29 april 2007 de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Vervolgens is op 1 mei 2007 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank verklaarde deze maatregel onrechtmatig omdat bij de toegangsweigering niet schriftelijk was geïnformeerd over contactpunten zoals vereist in artikel 13, derde lid, van de Schengengrenscode.
De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de rechtmatigheid van de toegangsweigering heeft betrokken bij de beoordeling van de vrijheidsontnemende maatregel, omdat artikel 13 Schengengrenscode Pro uitsluitend ziet op de toegangsweigering zelf en niet op daarop aansluitende maatregelen. De Raad van State bevestigt dat de rechter die over de vrijheidsontnemende maatregel oordeelt, zich niet mag uitspreken over de rechtmatigheid van de toegangsweigering tenzij deze in een daartoe voorziene procedure onrechtmatig is verklaard.
Omdat de vreemdeling geen procedure had aangespannen tegen de toegangsweigering en deze als gegeven gold, vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af en ziet af van proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.