ECLI:NL:RVS:2007:BB0922

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200703222/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • T.M.A. Claessens
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Wet COAArt. 72 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 Rva 2005Art. 9 Rva 2005Art. 17 Rva 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dat vergoeding legeskosten niet als buitengewone kosten wordt toegekend door COA

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wees het verzoek van een vreemdeling om vergoeding van legeskosten voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat deze kosten volgens artikel 17, vijfde lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) 2005 niet als buitengewone kosten worden vergoed. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en het COA opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar overwegingen.

Het COA stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad overwoog dat artikel 17 van Pro de Rva 2005 een algemeen verbindend voorschrift is waarvan het COA niet kan afwijken. Omdat legeskosten niet als buitengewone kosten worden vergoed en het zesde lid van artikel 17 niet Pro van toepassing was, kon het COA volstaan met een verwijzing naar deze regeling in zijn besluit. Het eerdere wel honoreren van een soortgelijk verzoek door het COA deed hieraan niet af.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Daarmee werd bevestigd dat vergoeding van legeskosten niet tot de buitengewone kosten behoort die het COA vergoedt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en bevestigt dat vergoeding van legeskosten niet als buitengewone kosten wordt toegekend door het COA.

Uitspraak

200703222/1.
Datum uitspraak: 26 juli 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/02290 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2007 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2006 heeft appellant (hierna: het COA) een verzoek van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om vergoeding van legeskosten afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 april 2007, verzonden op 11 april 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COA een nieuw besluit op het verzoek neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het COA bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 mei 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA) zijn, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van die wet, van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.
Ingevolge het tweede lid kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het COA taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen. Ingevolge artikel 12 kan Pro de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Krachtens deze bepaling heeft de minister de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) vastgesteld.
In artikel 3 van Pro de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COA opvang wordt geboden.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt.
Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.
Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, zijn kosten die samenhangen met een door de asielzoeker ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in ieder geval geen buitengewone kosten, als bedoeld in het eerste lid.
In het zesde lid wordt een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin kan worden afgeweken van het bepaalde in het vijfde lid.
2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van belang moet worden aangemerkt als een vreemdeling die op de voet van artikel 3, derde lid, van de Rva 2005 is gelijkgesteld met de in het tweede lid van die bepaling genoemde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden. Evenmin is in geschil dat artikel 17, zesde lid, van de Rva 2005 niet op de vreemdeling van toepassing is.
2.3. In de enige grief klaagt het COA dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 18 december 2006 een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.
2.3.1. In voormeld besluit heeft het COA een verzoek van de vreemdeling om vergoeding van legeskosten ten behoeve van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, omdat ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de Rva 2005 legeskosten niet als buitengewone kosten door het COA worden vergoed en van een geval als vermeld in het zesde lid van dit artikel geen sprake is.
Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat artikel 17 van Pro de Rva 2005 een algemeen verbindend voorschrift is, waarvan het COA niet kan afwijken, kon het COA ter motivering van zijn besluit volstaan met een verwijzing naar dit voorschrift en bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van 18 december 2006 een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.
Dat het COA een eerder verzoek van de vreemdeling om vergoeding van legeskosten ten behoeve van een dergelijke aanvraag wel heeft ingewilligd, wat de reden hiervoor ook is geweest, leidt, gelet op het dwingend karakter van voormeld artikel 17, vijfde lid, niet tot een ander oordeel.
De grief slaagt.
2.4.Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 december 2006, gelet op het vorenstaande, alsnog ongegrond verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2007 in zaak no. AWB 07/02290;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter
w.g. Groeneweg
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007
32-487.
Verzonden: 26 juli 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak