ECLI:NL:RVS:2007:BA9886
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling begrijpelijke taal bij oplegging vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingen
Bij besluiten van 1 mei 2007 werden vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd aan drie vreemdelingen. De rechtbank 's-Gravenhage had deze besluiten vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaard, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inhoud van de beschikkingen in een voor de vreemdelingen begrijpelijke taal was medegedeeld, zoals vereist op grond van paragraaf A6/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 5, tweede lid, EVRM. De Raad van State oordeelde dat de ambtenaren de inhoud telefonisch via een tolk in het Hindi hadden toegelicht en dat de vreemdelingen hadden verklaard de beschikkingen te begrijpen. De processen-verbaal van bevindingen bevestigden dat de communicatie gedurende de procedure met behulp van een Hindi-tolk plaatsvond.
De Raad van State verwierp de stelling dat de vreemdelingen uitsluitend Punjabi spraken en geen Hindi verstonden, mede omdat twee vreemdelingen hadden verklaard Hindi op school te hebben gevolgd. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris in strijd met de Vc 2000 en het EVRM had gehandeld. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank, verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond wegens correcte mededeling van de maatregel in begrijpelijke taal.